Welcome to our site
Weniaria

Soms zijn er van die dagen, dat je liever de hele dag in bed blijft. Dagen waarin de lucht niets dan somberheid vertoont. Waarin alle weergoden heel erg veel verdriet lijken te hebben, want het water dat er uit de lucht komt zijn dan geen liters meer, niet eens emmers, maar complete containers. Dat soort weer was het in de bossen van Phantasar. Het water spoelde in heel grote hoeveelheden uit de hemel. Je kon niet eens zien wat er voor je gebeurde omdat al het water al het zicht belemmerde. Lopen ging ook moeilijk omdat je bij iedere stap tot over je enkels in de modder wegzakte. Dit weer trof Jesaphira. Een jong elfenmeisje, dat als verkenner het bos in was gestuurd. Want ook al was het weer om geen hond doorheen te jagen, het was nog altijd oorlog. En die oorlog duurde al zo lang. Jesaphira mocht dan al 230 jaar oud zijn (wat voor Elfen tamelijk jong is), ze heeft nooit anders geweten dan dat het oorlog was. Ach, geen enkele Elf heeft ooit anders geweten dan dat het oorlog was. En iedere Elf wist dat de mensen iedere mogelijkheid om aan te vallen tot in de volle 100% benutten, dus moesten er constant verkenners op uit gestuurd worden om mensensteden te bespieden om te zien of de mensen iets van plan waren. Daar Elfen vele malen harder konden lopen dan mensen konden ze dan tijdig de keizer waarschuwen om de verdediging klaar te zetten. En met dit hondenweer had Jesaphira de eer gekregen om op verkenning te gaan. Jesaphira was daar ook helemaal niet blij mee. Haar kleren waren totaal doorweekt, en haar schitterende lange mosblonde haar leek nu helemaal nergens meer op. En het regenwater gutste van haar voorhoofd af. Haar laarzen waren zo vies van de modder, dat je gewoon in de verste verte niet meer kon opmaken welke kleur ze ooit gehad hadden. En zo ploeterde ze zich een weg richting de mensenstad. Ze kon zich niet voorstellen dat het nodig zou zijn om op verkenning te gaan, want de mensen zouden wel gek zijn om in dit weer op oorlogspad te gaan. Ze zouden allemaal lekker in huis zijn gaan zitten bij de warme haard en haar vierkant in haar gezicht uitlachen als ze wisten dat ze nu op verkenning was. Met die gedachte vocht Jesaphira zich een weg door de bossen.

Ze kende de weg, dus dat scheelde enorm, en na vele malen langer erover gedaan te hebben als normaal zag ze eindelijk de stadsmuur. Snel probeerde ze een boom in te klimmen. Dat ging moeizaam want haar natte lichaam en kleren wogen als lood, en de natte boom was flink glibberig. Maar uiteindelijk kwam ze toch boven. Van hieruit kon ze de stadspoort goed zien.


Voor de stadspoort, stond de jonge Falcon. In de stromende regen stond hij op wacht. Hij had zich nooit voorgesteld dat soldaat zijn zo verschrikkelijk saai kon zijn. Wat was hij enthousiast toen hij zich aanmeldde. De meest vreselijke dingen had hij gehoord over Elfen. Dat het bloeddorstige allesverscheurende monsters waren. Wat was hij enthousiast om zich in te schrijven om de stad tegen deze monsters te beschermen. Maar van dat enthousiasme was niet zo gek veel meer over, nu hij op zijn eerste dienst de hele nacht in de stromende regen op wacht stond. Hij keek de donkere duisternis in. Niemand te zien. Maar ja, die Elfen zouden wel gek om zich met dit weer buiten te wagen. En hij had al gehoord dat hij de volgende tien dagen ook weer op wacht mocht staan. Dat zou een saaie bedoeling worden. Maar misschien zou het wat minder vervelend zijn als het de dagen daarna niet meer zou regenen. Maar toen, hij meende iets verdachts te horen. Moest hij de wacht roepen. Ach welnee, met het geluid van de vallende regen kon het van alles geweest zijn. Als je urenlang het geluid van de regen aanhoorde ga je je nu eenmaal inbeelden dat je andere dingen hoort.

Toch ging Falcon voorzichtig rondkijken. Hij stond alleen op wacht en het enige wat hij kon doen als er toch Elfen in de buurt waren, was de grote alarmbel luidden die naast de poort hing. Het bos inlopen zou hem verder verwijderen van de bel, en hij wist dat Elfen harder konden lopen dan mensen. Hij liep een paar passen naar het bos. Hij keek op in een boom. En daar zag hij haar.


Geďnteresseerd observeerde Jesaphira de jongeman die op wacht stond. Ze zag hem opkijken. Maar hij leek niet te reageren. Jesaphira zou zweren dat hij haar recht in de ogen aankeek. Hij liep voorzichtig terug naar de poort. Jesaphira was er zeker van dat hij de alarmbel zou gaan luiden. Maar dat deed hij niet. Dat kan niet, hij moet haar gezien hebben. Mankeren de mensen iets aan hun ogen of zo?

Zou ze zich dichterbij wagen? Nah, dat was de goden verzoeken. Maar Jesaphira was toch geďnteresseerd geraakt. Hoewel de jongeman als een verzopen kat er niet op zijn best uitzag, had hij toch iets interessants over zich. Ze sprong over naar een boom die dichterbij stond. Ze wist dat de jongeman haar nu wel moest zien, en dat ze met deze regen moeilijk weg kon komen, dus als hij de bel zou luiden zou ze echt in de problemen zitten.


Falcon keek op enj zag haar zitten. Ja! Het was overduidelijk! Ze zat er echt. Een Elfenmeisje. Haar scherpe ogen en haar grote oren die spits omhoog liepen maakten dat overduidelijk. Wat moest hij doen? Alarm slaan? Nee. Falcon besloot dat niet te doen. Hij besloot te blijven doen alsof hij haar niet zag. Ondanks dat haar kleren doorweekt waren en haar kapsel door de regen geruďneerd was, was ze het mooiste meisje dat hij ooit gezien had. Hij wist dat hij zich niets in zijn hoofd moest halen. Ze was een Elf, dus een vijand, dus een allesverscheurend monster. Dus moest hij alarm slaan. Maar hij kon zich niet voorstellen dat zoiets moois, zoiets liefs, een vijand kon zijn. Hč, hoor mij nou, ik noem haar lief, maar ik ken haar niet eens. Dat soort gedachten maakten zich meester van Falcon. Zou hij iets tegen haar zeggen? Nee, dan zou ze op de vlucht slaan. Zou ze door hebben, dat hij haar gezien had? Nee, zeker niet, dan zou ze maken dat ze wegkwam. Elfen waren niet dom.


Jesaphira bekeek de jongeman aan de stadspoort goed. Ze was er bijna zeker van dat hij haar gezien had. Kom nou, het is bekend dat ogen van mensen minder goed zijn dan mensen, maar ze konden niet zo slecht zijn dat hij haar niet gezien had. Waarom sloeg hij dan geen alarm? Zou hij stiekem hopen dat ze hem aansprak. Nah! Zo stom kon hij niet zijn. Was dit een valstrik? Kijken of hij haar dichterbij kon lokken en aan de bel te trekken als ze recht voor de poort stond? Ergens diep van binnen voelde Jesaphira dat deze jongen niet hierop uit was. Maar ze durfde het er ook niet op te wagen. Maar knap was deze jongen wel. Wat dacht nou? Noemde ze een mens knap? Ze leek wel gek. Ze moest niet zo onvoorzichtig zijn!


Uren verstreken, en terwijl de regen doorgutste bekeken Falcon en Jesaphira elkaar. De regen leek hen niet meer te deren. Al wat ze deden was elkaar observeren, terwijl ze deden alsof ze elkaar niet zagen. Toen hoorde Jesaphira de stadspoort langzaam open gaan. Ze besloot geen risico te nemen en klom hoger de boom in om er zeker van te zijn dat wie er ook naar buiten kwam haar niet zou zien. Een forse soldaat kwam naar buiten lopen en hij liep recht op Falcon af.

Je tijd zit erop voor vandaag jongen. Je mag gaan slapen. Ik kom je aflossen”, hoorde Jesaphira de forse soldaat zeggen.

Dank U”, hoorde Jesaphira Falcon zeggen, en door haar hele lichaam leek elektriciteit van hoog voltage te stromen bij die woorden. Wat had die jongen een mooie stem.

Welterusten”, zei de forse soldaat.

Goede wacht”, antwoordde Falcon en hij liep door de stadspoort naar binnen, die meteen langzaam dichtging.

Jesaphira wist dat ze zich nu beter uit de voeten kon maken en dat Falcon vannacht toch niet meer naar buiten zou komen.

Terug naar boekenoverzicht

PRIVACY | TERMS OF USE

© Copyright JBC-Soft, Phantasar Productions, Jeroen Broks, 1996,2002,2007-2010, All rights reseved