Welcome to our site

De werelden van Xorox

Het weer was goed op Varticonus, een van de talloze werelden van Xorox. De zon scheen niet omdat Xorox geen zon kent, maar ondanks dat weerkaatste het licht van de Witte Kathedraal zo hevig dat je een zonnebril nodig had om in de buurt te kunnen komen. Waar dat zonlicht vandaan kwam wist niemand. Toch sprak de bevolking van alle werelden van Xorox toch van een zonnige dag, als het weer zo goed was als vandaag. Warm was het ook. De inwoners van Varticonus waren dan ook beslist niet in de stemming om ook maar iets te doen vandaag. Ieder die het zich kon permitteren zocht de badhuizen op. Maar die trokken zoveel bezoekers dat ze mensen moesten weigeren. Nu is Varticonus vol van rivieren en watervallen, en veel mensen trokken daar naartoe om hun verkoeling te zoeken. Normaal gesproken is dat streng verboden, zeker daar iedereen naakt zwom, daar het begrip “zwembroek” op Varticonus onbekend is. Dat iedereen zich naakt in het openbaar vertoonde was op zich al een unicum, want niet alleen was dat al een doodzonde waar een zware straf op stond, de inwoners van Varticonus zijn van nature al zo verschrikkelijk preuts, dat men het als een wonder beschouwt dat er nog überhaupt vrouwen in verwachting kunnen raken. Doch was het vandaag zo extreem warm en de behoefte aan koelte zo sterk, dat men dat even vergat, en dat wil op Varticonus wat zeggen. De wetshandhavers deden ook maar vooral geen moeite om deze overtredingen op de bon te slingeren, want ook zij hadden meer behoefte aan verkoeling aan wat anders. Dit mocht wel met recht de warmste dag uit de geschiedenis van Varticonus genoemd worden.

Van totale luiheid en verkoeling zoeken was binnen de Witte Kathedraal totaal geen sprake. Alle priesters en geestelijken waren in top overleg. Al snel kwam de Prio binnen. De Prio was de belangrijkste man binnen de religie van de god Dhyo. Je zou hem als een soort paus kunnen zien. De Prio stond nu niet bepaald bekend om zijn bescheidenheid. Zijn arrogantie en narcisme waren legendarisch, en zelfs als je er moeite voor deed konden ze niet ontgaan als hij alleen al ergens binnen kwam.

Of de Prio geliefd was viel moeilijk te zeggen. Iedereen op Varticonus had ontzag voor hem, en sprak over hem in eerbied, maar de vijanden van de religie van Dhyo hielden het er meer op dat men bang voor hem was. Nog niet eens de angst dat hij je zou executeren of martelen (wat op Varticonus zeer vaak voorkwam). Zijn uitdrukking was al indringend, dat een knullige belediging als “je bent een mafkees” al voldoende zou zijn om je terug bij je moeder op schoot te laten janken, als deze van zijn lippen kwam. 

 

Of het nu uit eerbied of uit angst was, de Prio werd op Varticonus op handen gedragen, en het was overduidelijk dat hij daar een invloedrijk man was.

De zaal was onmiddellijk stil bij het binnenkomen van de Prio. Met zijn priemende blik, waar hij patent op had, keek hij dreigend de zaal door. Iedereen stond op terwijl de Prio naar zijn stoel liep. Een zeer grote zilver met gouden stoel waar vele motieven in gekerfd stonden. De rugleuning was extreem hoog. Hij reikte bijna tot aan het plafond, en daar deze zaal toch al gauw 80 meter hoog was, kun je voorstellen dat de rugleuning gigantisch was.

De Prio ging zitten en de andere geestelijken volgden zijn voorbeeld.

“Als sinds mijn aanstelling 35 jaar geleden heb ik het werk van mijn voorgangers voortgezet”, zei hij bars. Ondanks de extreme hoogte van de zaal galmde zijn stem nauwelijks. Dit kwam vooral door de vele draperieën die door de hele zaal hingen, die van een stof gemaakt waren die geluidsabsorberend was.

“Ik verwacht zo langzamerhand resultaten”, zei de Prio. “Hoe ver staat het? Zijn ze eindelijk alle vier gevonden?”

Het bleef stil.

“Is er dan niet één idioot die me kan vertellen hoe de zaken ervoor staan?”

Een oude grijze man stond op.

“We hebben eindelijk definitief kunnen bevestigen dat de Mt. Felix de aard-prantalon bevat”.

“Ach”, zei Prio sarcastisch. “Blij te horen dat men daar de afgelopen 2000 jaar niet voor Jan Joker heeft staan graven”.

“Men denkt de prantalon gevonden te hebben, Uwe Heiligheid”, zei de man, “maar er is wel een probleem ontstaan”.

“Probleem? Wat voor probleem?”

“De magie van de prantalon”, zei de man nu erg timide. “Het trekt alle stenen van de berg naar zich toe. Iedere keer als men hem bijna uitgegraven heeft, graaft dat ding zichzelf weer in”.

“Karmino[1] Wummeldron, zelfs zo’n minkukel als jij moet toch in staat zijn wat steengruis tegen te houden”.

“Was het maar steengruis”, protesteerde Wummeldron. “Hij trekt eerder grote rotsen aan. De laatste heeft aan zeker 20 gravers het leven gekost”.

“Bespeur ik hier medelijden met een stel slaven?”

“Het kunnen misschien wel slaven zijn”, zei Wummeldron, “maar ik zou er liever niet teveel zien sterven. De steen daarvoor eiste ook al 10 levens. Als dat zo doorgaat zit ik straks helemaal zonder slaven”.

“Dan zou ik als ik jou was maar eens flink gaan brainstormen”, zei de Prio. “Gebrek aan slaven is geen excuus om dat ding niet ongeschonden in de Witte Kathedraal te krijgen. Desnoods graaf je dat ding zelf op”.

“Maar ik met mijn oude botten….”

“Ben ik duidelijk, Karmino?”

Wummeldron zweeg.

“U bent duidelijk, Uwe Heiligheid”.

“Goed? En verder. Al nieuws van de andere prantalonnen?”

“Eh ja”, zei een jonge zwartharige Karmino die opstond.

“Zo”, zei de Prio. “Jij bent een jong broekie. Hoe oud ben je eigenlijk?”

“Eh, 25 uwe Heiligheid”

“25? En dan al Karmino?”

“Ik ben vorige maand benoemd”

“En door wie als ik vragen mag?”

“Aartskarmino Yulangor, Uwe Heiligheid”.

“Hmmm, dat is dan ook de laatste keer dat ik die bevoegdheid aan hem toevertrouw”.

“U gaat me toch niet excommuniceren?”

“Dat ligt eraan. Nu je toch op die functie zit wil ik wel eens weten hoe goed een snotneus die kan uitvoeren”.

“Oh, dank u, Uwe Heiligheid”.

“Bedank me maar niet te voeg”, zei de Prio met een akelige toon. “Vertel me eerst eens hoe je heet!”

“Mijn naam is Erlismus, Uwe Heiligheid”.

“Goed, Erlismus. Vertel me maar eens wat je weet”.

“Wel, eh… Mijn onderzoek heeft uitgewezen dat de wind-prantalon zich hoogstwaarschijnlijk bevind op Techna”.

“Techna? Hoe ben je daar zo zeker van? Niemand heeft ooit door de vreemde krachtvelden van die paranoïde Technanen kunnen komen, en een snotneus als jij beweert te kunnen weten wat er zich op Techna bevindt?”

“Groot research, Uwe Heiligheid”, zei Erlismus. “Zoektochten op andere werelden hebben niets opgeleverd, en daarom bleef alleen Techna over”.

“Zeg eens, bal gehakt”, zei de Prio. “Je bent net een maand Karmino, en je wilde beweren dat je in één maand tijd alle werelden van Xorox hebt bezocht en ze hebt kunnen uitlichten?”

“Ik heb de journalen van mijn voorganger gebruikt”, zei Erlismus. “Ik ben verder gegaan waar hij gebleven was toen hij stierf”.

“En wie was jouw voorganger?”

“Karmino Rashafka, Uwe Heiligheid. Moge zijn ziel in vrede rusten onder de bescherming van Dhyo”.

“Ah ja… hij”, zei Prio. Het laatste wat er in zijn stem te horen was, was respect.

De Prio keek de jongen nog eens scherp aan.

“Maar goed, gewoonweg omdat jullie op de andere werelden niets konden vinden, Rashafka kennende, niet goed gezocht, gaan jullie er maar van uit dat de prantalon op Techna is?”

“Nee”, zei Erlismus. “We zagen dit ook staan in de journalen van Melkonar”.

“Melkonar? De aardsmagiër van Zalzathor? Die staat erom bekend vele betrouwbare studies gedaan te hebben. Maar hoe komen jullie aan zijn journaals?”

“Ik… eh… heb Rundaltron zijn vrijheid beloofd als hij de beveiligingsbezweringen van Melkonar kon breken en zodoende de journalen kon jatten. Daar hij een tovenaar was die in de bak zat voor stelen, leek hij mij geschikt voor die opdracht”.

“Jij sluit een pact met misdadigers uit naam van Dhyo?”

“Eh… ja. Ik dacht dat alles in Dhyos naam heiligde te middelen”

Het bleef stil.

“Ik begin je al wat meer te mogen, jonkie”, lachte de Prio, maar zijn gelach klonk eerder akelig dan vriendelijk. “Ja, als het Dhyo helpt is alles geoorloofd”.

Het was weer stil en de Prio keek dreigend alle Karmino’s aan.

“Goed, we hebben dus de locatie van twee prantalonnen”, zei de Prio bars. “En nu de vuur- en de water-prantalon. Wat weten jullie daarover?”

Het bleef stil.

“Karmino Pulsus!” riep de Prio. “Wat hou jij toch je mond dicht. Ik had jou persoonlijk gevraagd de vuurprantalon te zoeken. Ik hoop maar voor jou dat je ondanks je zwijgen toch wat weet”.

“Wel, eh.... het zit zo... wel... eh”

“Wil je het kort houden?”

“Wel, we hebben aanwijzingen, eh... heer”

“Aanwijzingen?”

“We denken dat de koning van Zalzathora hem heeft.... eh... heer”.

“Zo, en wat houdt jullie tegen om dat ding daar dan te gaan halen?”

“Eh... de koning zelf, heer”

“De koning zelf? Je wilt me toch niet vertellen dat de elite soldaten van Dhyo het niet van zo’n nietig koninkje kunnen winnen?”

“Ik vrees dat het zo is. Hij heeft in zijn eentje mijn hele patrouille van 10 man in de pan gehakt, waarbij één slechts lichtgewond is geraakt”

“En de overige negen?”

“Daarvan is 1 man overleden en de rest ligt in kritieke toestand in het ziekenhuis, uwe Heiligheid”

“Parrrrrrrrrdon?”

“Ik vrees dat het echt zo is, Uwe Heiligheid. Het was afschuwelijk om aan te zien, wat de koning in zijn eentje wist te doen. Indrukwekkend, maar afschuwelijk. Ik heb geluk gehad”.

“Geluk gehad?”

“Hij wilde mij in leven laten opdat ik u kon vertellen dat de koning geen enkele vorm van medewerking wenst te verlenen”.

Het bleef stil. Pulsus beet op zijn nagels in afwachting wat de Prio zou gaan doen. De Prio stond over het algemeen genomen niet bepaald bekend om zijn vergevingsgezindheid.

“Ik vertrouw erop dat je er alsnog in slaagt om de koning over te halen mee te werken”, zei de Prio.

“Eh, ja, eh, zeker Uwe Heiligheid”

“Maar wat als dat niet lukt?” vroeg Erlismus. “De koning van Zalzathora staat erom bekend dat hij heel erg koppig en heel moeilijk over te halen is. De kans dat we hem over kunnen halen acht ik klein”.

“Als ik jou menig wilde weten, groentje”, zei de Prio bars, “dan had ik daar wel naar gevraagd”.

De Prio keek strak naar de jonge Karmino.

“Waar diplomatie ophoudt, gaat de beuk erin. Desnoods breken we het hele paleis van de koning af”.

“Maar dat betekent oorlog”, riep Erlismus geschrokken.

“Wat is het probleem? Je hebt toch geen medelijden met het koningshuis van Zalzathora is het wel?”

“Eerlijk gezegd maak ik me meer zorgen over onze mannen dan over het koningshuis, Uwe Heiligheid”.

“Luister, groentje. Onze elite troepen worden gezegend door mij persoonlijk, en mijn zegens komen rechtstreeks van Dhyo. Die prantalon moet in onze handen komen. Dhyo wil het!”

“Dhyo wil het”, werd door de hele zaal herhaald.

“We hebben gezien wat de koning alleen al tegen onze mannen deed. Bij een grootscheepse aanval zal de rest van het koningshuis ook meevechten, en die zijn al even sterk als de koning zelf. Dat winnen we nooit”.

“GODSLASTERING!” riep een stem.

Erlismus draaide zich in de richting van het geluid en zag Karmino Plandurn.

“Pardon”, riep hij. “Ik heb mijn hele leven gewijd aan Dhyo. En ook ik wil dat deze heilige missie va Dhyo tot een goed einde wordt gebracht, daarom….”

“Moet je geen kritiek leveren op de Prio”, vulde Plandurn aan. “De Prio spreekt namens Dhyo en als Dhyo wil dat er oorlog komt, en moet er oorlog komen. En als Dhyo zegt dat we dat winnen dan doen we dat”.

“Ik twijfel helemaal niet aan het woord van Dhyo, maar….”

“Dat doe je wel!” riep een tweede Karmino.

“STILLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLLTE!!!!” riep de Prio hard en ondanks de vele geluidsabsorberende stoffen die in de zaal hingen leek de zaal nu toch te dreunen.

Iedereen keek naar de Prio.

“Je stelt me teleur, jonge Karmino”, zei de Prio. “Of zal ik je maar jonge door-de-stront-gehaalde-droltor noemen?”

Erlismus zweeg.

“Je hebt dus kritiek op mij”, zei de Prio. “En je weet dat ik spreek namens, Dhyo. Dus kritiek op mij is kritiek op Dhyo”.

Erlismus zweeg nog steeds.

“Ondanks dat je me geholpen hebt door uit te vissen dat er een prantalon op Techna is, ben ik bang dat ik je hiermede schuldig moet verklaren aan godslastering”.

De Prio zei dit heel kalm, maar de ijspegels dropen van zijn stem af, en daar kon zelfs het extreem hete weer geen verandering aanbrengen.

“Heb je nog iets te zeggen voordat ik je vonnis uitspreek?” vroeg de Prio dreigend.

Erlismus aarzelde even.

“Ik wil alleen maar het beste voor Dhyo”, zei hij toen. “Maar ik wil niet dat de prijs daarvoor te hoog wordt”.

“Nooit is een prijs te hoog geweest voor de heilige missies van Dhyo”, zei de Prio bars. “WACHT!”

De deuren van de grote zaal gingen open en een kleine groep wachters kwam binnen.

“Grijp die ongelovige”, riep de Prio en hij wees op Erlismus.

De wachters liepen naar Erlismus en grepen hem vast.

“Erlismus, ik ben bang dat je carrière als Karmino vroegtijdig tot een einde is gekomen. Je bent bij deze geëxcommuniceerd”.

De Prio zweeg even en trok een akelige grijns naar Erlismus.

“Natuurlijk kunnen we het daarbij niet laten eindigen, want dan kom je er wel erg goedkoop vanaf. Het moet algemeen bekend zijn dat godslastering niet te tolereren is, dus moet ik wel een voorbeeld stellen. Tenslotte was je Karmino, en het zou toch wel een groot schandaal zijn als bekend werd dat een Karmino schuldig is aan godslastering”.

De overige Karmino’s knikte allemaal eensgezind. Als de bevolking zou ontdekken dat een Karmino tot godslastering was overgegaan zou dat wel eens behoorlijk wat opschudding kunnen veroorzaken. Nee, dit moet koste wat kost geheim blijven.

“We zullen er voor zorgen dat je naar een plek gaat waar je niemand meer kunt lastig vallen met je godlasterende tong, Erlismus. Jij zult de laatste uurtjes van je leven doorbrengen in een cilinder”.

“Wat!” riep Erlismus. “Nee, niet in een cilinder. Ik ben uw trouwe dienaar dat kunt u niet doen!”

“Ik vrees van wel, Karmino van likmevestje!” zei de Prio spottend. “Ze zeggen dat je helemaal gek wordt in die cilinders. En dat je op het laatst gek wordt van de rugpijn. Als je dan geen straf wilt, zie het dat als een laatste missie. Ik ben er benieuwd naar of die verhalen allemaal waar zijn”.

Erlismus keek smekend naar de Prio, een traan rolde over zijn wang, maar Erlismus wist dat de Prio als het om dit soort zaken ging onvermurwbaar was, en dat verder smeken of protest geen zin meer had.

Zonder zich verder te verzetten, liet hij zich door de wachters de zaal uitslepen.



[1]           Soort kardinaal

Terug naar het boekenoverzicht

PRIVACY | TERMS OF USE

© Copyright JBC-Soft, Phantasar Productions, Jeroen Broks, 1996,2002,2007-2010, All rights reseved