Welcome to our site

Venzore & Larina

Langzaam kwam de zon op in de Elfenstad Yalaga. Er waren meerdere nederzettingen van de Elfen op het grote eiland Orbion, maar Yalaga was de grootste nederzetting en gold zo’n beetje als hoofdstad van het Elfenrijk in dat gebied. Nu moest je in Yalaga de huizen soms zoeken, want Elfen hadden respect voor de natuur en hun bouwwerken mochten het natuurlijke uitzicht niet verstoren. Zodoende wat Yalaga vooral een heel groot bos, waar de huizen tussen verstopt stonden, en die huizen waren vaak ook nog eens begroeid met klimplanten, mos en nog veel meer. Aan de noordzijde van Yalaga stond een klein kasteel waarin de keizer van dit rijk regeerde. In een uithoek van Yalaga stond een klein hutje waarin Moriquo woonde. De oudste inwoner van de stad en tevens adviseur van de keizer. Hij was ook priester voor de god Halbanor, de beschermheilige van alle inwoners van Orbion. Ook bad hij veel tot andere goden zoals Fuero, Amora en Weniaria. Iedereen had veel ontzag voor Moriquo. Zoveel dat ook eigenlijk niemand zich af durfde te vragen hoe oud hij nu eigenlijk was. Zijn naam werd bijna overal in de geschiedenis genoemd. Elfen leven vele malen langer dan mensen, maar ook voor hen geldt dat de Dood zich ooit komt melden.

Moriquo deed de deur van zijn oude hutje open en kwam naar buiten. Hij snoof de frisse buitenlucht nog eens goed in, zoals hij dat eigenlijk iedere ochtend deed. En keek om zich heen. Tussen de bomen zag hij dat ze zon nog redelijk laag stond, maar al wel redelijk fel begon te schijnen. Wolken waren er vandaag nauwelijks en dat was op Orbion toch redelijk zeldzaam. Niet dat het vaak regende, want dat viel wel mee, maar bewolking was er toch redelijk vaak. Moriquo pakte een emmer en liet deze in de waterput zakken die net naast zijn huis stond. Hij haalde hem boven. Gooide wat water in zijn gezicht en zette de emmer in zijn hut voor later gebruik. Hij pakte een staf en hij nam een koker met pijlen en een boog mee. Dit was vrij ongebruikelijk, want Moriquo was beslist geen krijger. Zelf kwam hij Yalaga zelden uit. Hij stapte zijn huisje uit. Hij keek nog even over de rand van het ravijn wat pal zich naast zijn hutje bevond en zag beneden hoe de zee rustig golfde maar verder geen overdreven dingen deed.

Hij liep een stukje het bos door en kwam zo op het hoofdpad van Yalaga uit en liep in de richting van de bewoonde wereld. Nu zijn de binnenstraten van Yalaga een doolhof van allemaal paadjes die kriskras door elkaar heenliepen. Voor onbekenden zou alles door de grote hoeveelheid bomen die alle gebouwen verborgen erg op elkaar lijken, maar Moriquo wist precies welke weg hij moest nemen.

Op een gegeven moment sloeg hij een klein paadje in, en kwam hij bij een huis.

Beleefd klopte hij aan.

Het bovenste gedeelte van de deur ging open.

“Ah, Moriquo”, zei de vrouw die opendeed. “U komt zeker voor Venzore. Hij is er weer eens niet. Ik kan hem wel even voor u zoeken”.

“Laat maar Patrina”, lachte Moriquo. “Ik weet genoeg. Ik ken die zoon van u zo langzamerhand wel”.

Hij liep naar een boom, keek omhoog en stak toen hardhandig zijn staf tussen de bladeren.

Snel deed Moriquo een stap opzij en dat was maar goed uit want al snel viel een jongen met een harde klap op de grond.

“AUW”, riep hij. “Was dat nu echt nodig, meester?”

“Weer eens in slaap gevallen terwijl je een boom ingeklommen was?”

“Wat is daar mis mee?” protesteerde de jongen. “Ik houd nu eenmaal van in bomen zitten”.

“Daar is niks mis mee, Venzore”, zei Moriquo rustig. “Maar je weet toch wel wat voor een dag het vandaag is?”

“Hoe bedoelt u?” vroeg de jonge Venzore verbaasd.

“Jongen toch”, riep Patrina vanuit het huis. “Ben je nu echt zo vergeetachtig dat je je eigen verjaardag vergeet?”

“Is dat vandaag al?”

“Als ik je niet langer kende dan vandaag dan zou ik hierover verbaasd zijn”, lachte Moriquo. “Vooruit, naar binnen. We hebben belangrijke zaken te bespreken”.

Mopperend liep Venzore naar binnen. Hij was een jonge Elf met een slungelige bouw. Zijn ogen waren diepgroen, en zijn haar was donker en lang. Zijn haar was tamelijk vettig, wat voor Elfen zeer ongewoon was. Tussen zijn haren door waren zijn puntoren goed te zien. Puntoren, zoals eigenlijk iedere Elf die had.

Mopperend ging hij zitten.

Zijn moeder, Patrina, had dezelfde slungelige bouw als haar zoon. Haar haren waren dieprood wat ze altijd in een grote paardenstaart droeg die tot net boven haar enkels rijkte. Haar kapsel was zacht als zijde en vormde een groot contrast met het kapsel van haar zoon die zijn vettige haar van zijn jong overleden vader had geërfd.

Moriquo ging zitten en zei toen.

“Je bent vandaag honderdtachtig jaar oud. Weet je wat dat betekent?”

De jonge Venzore schudde zijn hoofd.

“Je vergeet wel veel, he”.

“Sorry”.

“Honderdtachtig jaar is de leeftijd waarop een Elf volwassen wordt, jongen. En dat brengt verantwoordelijkheden met zich mee”.

“Wat voor verantwoordelijkheden?”

“Iedere Elf moet in staat zijn om zijn dorp te verdedigen”

“Verdedigen? Waartegen?”

“Ik kan wel merken dat je Yalaga nooit uitgeweest bent”.

“Hoe bedoelt u, meester?”

“De bossen in Yalaga zijn veilig, krijgers weten alle gevaren buiten onze stadsmuren te houden, maar eenmaal buiten Yalaga is dat anders. Phantasar is een wereld vol gevaren. Bijna alle bossen op Phantsar en dus ook op dit eiland zitten vol met monsters. Monsters in alle soorten en maten. Sommige monsters zijn al met een twijgje te verjagen, voor anderen heb je een compleet leger nodig om ze te verslaan”.

“Ik heb wel eens van monsters gehoord, maar ik heb altijd gedacht dat het fabeltjes waren”.

“Dat geeft aan hoe goed Yalaga verdedigd is, jongen. De beste krijgers van dit eiland verdedigen het”

“Maar waarom moet ik dan meehelpen om de stad te verdedigen, als we zulke goede krijgers hebben? Ik ben een priester in opleiding. Ik heb nog nooit een wapen aangeraakt!”

“Onze krijgers kunnen veel geheimen afwenden, jongen”, zei Moriquo kalm. “Maar we houden er altijd rekening mee dat er gevaren zijn die ondanks alle goede voorzorgen wel degelijk de muren van Yalaga binnen kunnen komen. Er worden bijvoorbeeld nog regelmatig nieuwe monsters ontdekt waarvan we de kracht niet kennen. Bovendien weten we niet wat er van de andere eilanden nog deze kant op kan komen”.

“De andere eilanden? Maar die zijn toch onbewoond?”

“Dat weten we niet jongen, maar hoe het ook zij, iedere Elf moet in staat zijn om als er ook maar iets de muren van de stad kan binnenkomen, om mee te helpen in de verdediging”.

Venzore kreeg even een huivering bij dit idee.

“Zo erg is het niet jongen”, zei Patrina. “Ik heb deze training ook moeten volgen en het stelt allemaal heel weinig voor”.

“Maar papa is….”, stamelde Venzore.

Venzore wist nog goed hoe zijn vader nooit meer terugkeerde toen hij een keer de stad verliet onderweg naar een andere vestiging. Venzore wist dat zijn vader een uitstekende krijger was. Wat er precies gebeurd was heeft hij nooit geweten, maar het idee ooit de stad uit te moeten of dat er iets van buiten binnen kon komen gaf hem angst”.

“Venzore”, zei Moriquo. “Je vader was niet door een monster opgegeten, als je daar soms bang voor bent”.

Venzore keek op.

“We weten niet wat er wel gebeurd is, maar dat is in ieder geval niet gebeurd”.

Venzore keek somber naar beneden.

“Juist omdat je niet hetzelfde lot van je vader mag ondergaan, moet je in staat zijn jezelf te verdedigen. Ook als priester in opleiding. Jij moet straks de andere vestigingen op dit eiland bezoeken om zegen van de goden ook in de andere steden te brengen. Nu zul je altijd een escorte meekrijgen, maar een escorte alleen is niet genoeg”.

Venzore keek nog eens angstig.

“Jongen bedenk goed dat je een sterke affiniteit hebt met de god Fuero”

“Hoe bedoel je?”

“De god van het vuur, veel monsters zijn bang van vuur. Slechts een enkeling voelt zich ertoe aangetrokken, daar heb je al een wapen mee. Jij kunt door je affiniteit met Fuero het vuur aardig beheersten. En je krijgt dit mee”.

Moriquo haalde de boog en de pijlenkoker van zijn schouder.

“Deze boog heeft al de dood van menig monster op zijn naam staan. Gebruik hem goed”.

Venzore keek naar de boog en pakte hem aan.

“Je training duurt maar kort”, zei Moriquo. “Het is alleen maar een basistraining zodat je niet weerloos bent als de tijd komt. Alleen krijgers krijgen een echte uitgebreide opleiding. Het duurt maar twintig dagen en ik heb geregeld dat je les krijgt van Marlinus. De beste krijger uit Yalaga”.

“Dat komt goed jongen”, zei Patrina. “Ik heb ook les gehad van Marlinus. Je bent bij hem in goede handen”.

Venzore zuchtte. Eigenlijk wist hij al als kind dat dit moment ooit zou komen. Iedere Elf, man of vrouw, rijk of arm, uit het volk of uit de keizerlijke familie moest deze twintigdaagse opleiding volgen. En van begin af aan heeft hij er als een berg tegenop gezien. Hij wist dat hij niet geboren was voor het zwaard of voor de pijl en boog, zeker niet daar de onverklaarbare dood van zijn vader nog vers in het geheugen lag, ook al was dat intussen honderd jaar geleden. Voor het priestersvak was hij eigenlijk ook niet gedisciplineerd genoeg, maar hij wist dat hij op deze manier weg kon blijven van gevechten. Maar dat maakte nu allemaal niet uit. Hij wist dat wat hij ook deed alleen maar het onvermijdelijke uit zou stellen. De wet was helder. Iedere Elf behoorde deze cursus te volgen. Het feit dat zijn moeder zeer te spreken was over Marlinus stelde hem ietsepietsie gerust.

Patrina legde een brood op tafel.

“Hier”, zei ze. “Neem dit brood mee en een waterzak. Je zult je energie nodig hebben”

Venzore nam het brood en de waterzak aan en stopte het in een rugzak die hij handig omdeed.

“Goed”, zei Moriquo. “Ik zal met je meelopen tot aan de poort. Daar wacht Marlinus op je”.

“D-d-d-d-de poort?” riep Venzore verschrikt. “Moet ik meteen de eerste dag al de stad uit?”

“Waarschijnlijk wel”, zei Moriquo. “Maar maak je daar maar geen zorgen over. Marlinus heeft nog nooit een leerling in gevaar gebracht en dat zal hij zeker nu niet laten gebeuren”

Met lood in zijn schoenen ging Venzore met Moriquo mee de deur uit.

Terug naar boeken overzicht

PRIVACY | TERMS OF USE

© Copyright JBC-Soft, Phantasar Productions, Jeroen Broks, 1996,2002,2007-2010, All rights reseved