|
Het
universum verbergt vele geheimen. Geheimen die nooit helemaal door de
mens zullen worden ontsluierd. Soms ook omdat deze geheimen stammen
uit een ver verleden. Een verleden dat soms teruggaat van ver voordat
de Aarde bestond. Soms miljarden jaren ervoor. Een voorbeeld van een
dergelijk geheim, is de vergeten planeet Phantasar. Dat deze planeet
vergeten is, is alles behalve verwonderlijk, daar deze planeet
miljarden jaren geleden ophield te bestaan. Hoe Phantasar aan zijn
eind kwam is een nog groter mysterie dan het bestaan van de planeet
zelf. Maar dat is voor ons verhaal ook niet van belang. Wat voor ons
verhaal wèl van belang is, is het feit dat miljarden jaren
lang deze wereld een thuis is geweest voor vele beschavingen, van
vele mensachtige rassen. Mensen, Feeën, Elfen, Dwergen en nog
veel meer. Maar Phantasar is ook een thuis geweest voor volkeren die
lang voor andere volkeren verborgen zijn geweest. Soms door te leven
in gebieden die voor anderen onbereikbaar waren. Soms door goede
camouflage. Er is één volk geweest die dat allemaal
niet nodig had om verborgen te blijven. Zij hebben verborgen kunnen
blijven door hun extreem kleine gestalte. Toch vielen ze wel onder de
mensachtigen. Hoe ooit zo'n klein mensenras heeft kunnen ontstaan is
ieder die hen kent een raadsel. Zelf dachten ze dat het komt omdat ze
geschapen zijn in verwantschap met insecten. Het feit dat ze ongeveer
even groot waren als een pink, vliesvleugeltjes hadden en een paar
voelsprieten zou dit vermoeden bijna bevestigen. Maar of dat ook zo
is wisten ze zelf niet zeker. Ze noemden zichzelf “Pixies”.
Pixies
leefden vooral tussen bladeren van bomen, bloemen en planten. Hun
huizen zaten verwerkt in de stam van een boom, waar ze ruimte genoeg
uitholden om in te kunnen wonen. Aan de buitenkant zagen ze eruit als
een boom, waarin een paar piepkleine raampjes en een deurtje zaten.
Ze
leefden vooral van nectar. Dit wonnen ze uit bloemen. In de winter
als er geen bloemen waren leefden ze van alternatieven zoals
suikerwater. Phantasar was rijk aan suikerriet, en hele ploegen
pixies waren soms te vinden in de rietvelden als ze bezig waren voor
het hele volk wintervoorraden aan te leggen.
Over
kleding liepen de meningen bij Pixies, uiteen. De een droeg bruin en
groen opdat je je dan goed kon camoufleren tegen bomen en struiken.
De ander was van mening dat je juist felle kleuren moest dragen zodat
je niet opviel als je nectar uit bloemen moest halen. Ieder was het
er over eens dat de kleding een zekere vorm van camouflage moest
hebben, en dat vonden ze allemaal het allerbelangrijkste eraan.
Pixies hadden namelijk te kampen met heel veel vijanden. Vleesetende
insecten en spinnen, om er een paar te noemen. Pixies moesten dan ook
in grote groepen leven en voortdurend samenwerken om te overleven,
want ook al konden Pixies toveren, hun toverkracht was niet groot
genoeg om je serieus te verdedigen tegen de gevaren van de natuur.
“Ben
je alleen, dan wordt de natuur heel gemeen”, is het motto dat
Pixie-kinderen van jongs af ingeprent kregen.
Maar
je weet hoe dat gaat. Kinderen kunnen heel eigenwijs zijn. Gelukkig
waren de ouden altijd heel alert op de kinderen, en lieten ze geen
moment uit het oog. Ze waren er altijd meteen bij als een kind weer
eens van plan was er alleen op uit te gaan. In Pixie gemeenschappen
waren er vaak hele grote groepen aangesteld die de hele dag niets
anders te doen hadden dan kinderen in de gaten houden en bij hun
kladden pakken als ze van plan waren er vandoor te gaan.
Natuurlijk
was er altijd ééntje tussen die door de mazen van het
net wist te glippen. En één kind dat het telkens weer
presteerde was het meisje Loni. De ouden waren radeloos. Één
keer hebben ze 100 man erop gezet alleen om haar in de groep te
houden en zelfs toen presteerde ze het om er alleen op uit te
trekken. Hoe ze het deed hebben de Ouden nooit kunnen achterhalen,
maar dat ze het deed, is een feit.
Tot
nu toe was dat altijd goed gegaan. Zo goed als ze was in het op een
dwaalspoor brengen van de ouden, zo goed kon ze dat ook met vijandige
dieren. Sommige ouden hadden het ook maar opgegeven haar nog langer
in de gaten te houden. Ze wisten toch wel dat ze vroeg of laat weer
op zou duiken.
Op
een goede dag was het weer ze ver. Loni had weer weten te profiteren
van een oude die minder goed oplette en ze was alweer in haar eentje
het bos in gegaan. Ze kende het bos ondertussen op haar duimpje dus
ze wist dat ze niet zou kunnen verdwalen. Ze vloog een bloem in en
deed zich uitbundig tegoed aan het overvloedige hoeveelheid nectar
die daarin lag. Toen ze wegvloog baalde ze wel goed van al het
stuifmeel dat de bloem op haar kleren had achter gelaten. Driftig
klopte ze al het stuifmeel van zich af en dat was een hele klus. Het
plakte behoorlijk. Tenslotte pakte ze haar toverstokje. Zou het
lukken? Een echte expert op het gebied van magie was ze niet, want op
de toverschool was ze al vaak tijdens de les in slaap gevallen. Dat
wil zeggen de lessen die ze bijgewoond had, want spijbelen, dàt
kon ze wel goed.
Maar
eind goed, al goed, de spreuk werkte en al het vervelende stuifmeel
viel van haar af.
“Ha!”
dacht ze bij zichzelf. “Eindelijk een toverspreuk die meteen
helemaal gelukt is!”
Loni
was heel tevreden met zichzelf. Ze borg haar toverstokje op en
besloot weer eens verder te vliegen.
Dit
keer vloog ze verder dan ze ooit eerder geweest was. Nieuwe gebieden
verkennen, daar was Loni altijd voor in.
Bang
was ze niet. Loni had zo vaak geprobeerd nieuwe gebieden te
verkennen, en Loni had al veel trucjes verzonnen om te voorkomen dat
ze zou verdwalen.
Maar
nu begon ze wel moe te worden en ze besloot te landen. Maar waarop
was ze eigenlijk geland? Het was iets vleeskleurigs. Ze keek nog eens
goed. Het leek wel een reusachtige hand. Loni's hart begon sneller te
kloppen, maar voor Loni goed en wel besefte dat ze beter kon
wegvliegen had een tweede hand haar ingesloten. Loni die kampioen
ontsnappen was, en ook al vele gevaren had getrotseerd was nu toch
behoorlijk bang geworden. Ze voelde dat ze omhoog werd bewogen. Toen
de handen een kleine opening vormden, zag ze een gigantisch oog
nieuwsgierig kijken. Het oog bekeek haar langs alle kanten van top
tot teen.
Loni
was verstijfd van angst. Het oog leek dit te zien.
“Wees
niet bang”, zei een harde stem, die blijkbaar van een meisje
afkomstig moest zijn. “Ik zal je geen kwaad doen. Maar wat ben jij
eigenlijk voor iets. Ik heb nog nooit zo'n kleine mensachtig wezentje
gezien?”
Loni
wist even niet goed wat ze moest doen. De stem klonk hard, maar
misschien was dat vanwege de omvang van dit reusachtige wezen ook
niet verwonderlijk. Maar de stem klonk ook geruststellend. Ze wist
niet goed of ze deze reuzin nu moest vertrouwen of niet.
“Ik
ben Loni”, zei ze tenslotte. “Ik... ik... ben een Pixie”.
Het
reusachtige oog leek nu een soort verbazing uit te stralen.
“Een
Pixie?”
“Eh,
ja... Wat ben jij?”
De
handen die Loni gevangen hielden gingen nu uit elkaar en Loni kon nu
het gezicht van dit reusachtige meisje zien.
Ze
had lang blond haar dat zo glad was als zijde, daar bij had ze hele
diep blauwe ogen die heel duidelijk bijzonder scherp konden zien.
Verder kon Loni zien dat de oren van het meisje spits omhoog liepen,
puntoren dus.
Loni
kon zich vaag herinneren op de toverschool gehoord te hebben over
reusachtige wezens die “mensen” genoemd werden.
Zou
dit een mens zijn?
Loni
kon het niet helpen, maar ze moest het weten.
“Ben.....
ben jij een mens?”
Het
reusachtige meisje lachte.
“Nee”,
zei ze tenslotte. “Ik ben een Elf. En ik heet Teefah Santro!”
Loni
kon het niet helpen, maar ze moest even lachen.
“Dat
is een ingewikkelde naam!”
“Och”,
zei Teefah Santro. “Voor ons Elfen is het een heel normale naam,
wij hebben allemaal dubbele namen. En we krijgen altijd de naam van
onze moeder en onze vader mee. Mijn moeder heet Teefah Yankoh, en
mijn vader Santro Renka, en daar is mijn naam uit ontstaan”.
“Ik
snap het”, zei Loni. “Maar “Teefah Santro” is wel een lange
naam hoor. Vind je het goed als ik je gewoon “Teefah” noem?”
Het
elfenmeisje keek bedenkelijk.
“Dat
is tamelijk ongebruikelijk, weet je. Wij Elfen vinden het heel
onbeleefd als je elkaars namen inkort”
“Oh,
sorry”, zei Loni geschrokken. “Ik wilde je niet beledigen!”
Teefah
Santro lachte.
“Oh,
je beledigt me niet hoor”, zei ze. “Jij mag me “Teefah”
noemen”
Loni
keek zwijgend naar Teefah Santro.
“Ik
had wel eens van reusachtige wezens gehoord die “Mensen” heten,
maar ik heb nog nooit van “Elfen” gehoord”.
De
Elf lachte.
“Om
je eerlijk te zeggen, heb ik wel van Pixies gehoord, maar ik heb
altijd gedacht dat ze verzinsels waren”.
“Verzinsels?”
“Ja”,
zei Teefah. “De mensen en de feeën hebben verhalen over jullie
die ze aan hun kinderen vertellen”.
“Is
dat waar?”
“Ja,
kinderen slikken ze als zoete koek en worden daarmee rustig gehouden.
Ik denk niet dat de volwassenen die dergelijke verhalen vertellen
zelf geloven dat ze waar zijn.”
Loni
keek bedenkelijk.
“Waarom
vertellen ze verhalen over ons als ze zelf niet geloven dat ze waar
zijn?”
Teefah
dacht na.
“Om
je eerlijk te zeggen, weet ik het ook niet. Wij Elfen doen zoiets
namelijk niet. We vinden het verkeerd om verhalen uit je duim te
zuigen. We zien het als hetzelfde als liegen. Maar de mensen zien het
blijkbaar als een manier om hun kinderen rustig te houden.”
Loni
dacht na. Moest ze de mensen nou veroordelen of niet. Als het op
verzinnen aankwam kon ze zelf ook een behoorlijk eind komen. Ze had
nogal wat verhalen verzonnen om van de Ouden weg te kunnen glippen.
“Eh,
Teefah? Wat doe jij eigenlijk alleen in het bos? Ben je net als ik
ook aan het.... er... spijbelen?”
“Dus
jij bent aan het spijbelen?”
“Eh,
ja”, zei Loni blozend.
“Ik
ben niet aan het spijbelen hoor. Ik was gewoon bessen aan het zoeken.
Yasharbessen om precies te zijn. Wij Elfen zijn daar gek op”.
“Yasharbessen?”
riep Loni verschrikt. “Ze hebben mij altijd verteld dat die dingen
vreselijk giftig zijn”
Teefah
Santro keek verbaasd op.
“Giftig?”,
zei ze. “Misschien voor Pixies, maar niet voor Elfen. We eten ze al
generaties lang, en er is bij ons Elfen nog nooit iemand ziek van
geworden laat staan doodgegaan”.
“Werkelijk?”
“Ja”
“Ach
ja, wat weet ik nou van Elfen”
Teefah
Santro moest lachen.
“Waarschijnlijk
net zoveel als dat ik van Pixies weet”
Nu
was het Loni’s beurt om eens goed te lachen.
“Hé”,
zei ze opeens. “Ik geloof, dat ik onderweg naar hier een
yasharstruik heb zien staan.”
“Is
het waar? Het zou me een hoop zoeken besparen als je die zou kunnen
aanwijzen”
“Ik
moet even denken hoor, want van hier uit ziet alles er anders uit.”
Loni
tuurde nog eens goed over de bosjes.
“Daar”,
zei ze tenslotte. “Achter de boom!”
Teefah
klom met een heel goede behendigheid over de struiken in de richting
van de boom die Loni aanwees. Het kostte wel wat klim en klauter werk
om achter de boom te komen, daar deze omringd was met struiken en
bosjes, maar Elfen zijn van nature heel behendig, dus kostte het
Teefah weinig moeite om de yasharstruik te bereiken. Loni was achter
Teefah aangevlogen en was stomverbaasd over de extreme behendigheid
die de elf liet zien. Ze kon zich gewoon niet voorstellen hoe iemand
van zo'n extreme grootte
zo behendig kon zijn. Maar goed, het was voor Loni al een openbaring
dat er zulke grote wezens als Elfen bestonden.
Teefah
zag al wel snel dat Loni over de bessenstruik niet gelogen had. En
wat een prachtexemplaar. Deze struik bevatte meer bessen dan ze ooit
bij elkaar gezien had.
“Dank
je wel, Loni”, stamelde ze. “Dit is meer dan dat ik nodig had. Je
hebt me een hoop werk bespaard”.
“Oh,
graag gedaan hoor”, zei Loni met een knipoog, hoewel ze niet zeker
wist of Teefah dat vanaf zo'n afstand had gezien het omgangsverschil.
“Mag
ik eens wat vragen?”, zei Loni tenslotte.
“Natuurlijk”.
“Hoe
oud ben je eigenlijk?”
“Ik?
Ik ben honderddrieënveertig, hoezo?”
Loni
was nu met stomheid geslagen. Tenslotte zei ze: “Pardon? Hoeveel?”
“Honderddrieënveertig.
En jij?”
“I-I-I-Ik
ben pas.... twaalf”
Teefah
Santro moest lachen.
“Jullie
Pixies worden blijkbaar niet zo oud als Elfen”
“Nou
dat op zich nog wel, denk ik, onze volwassenen kunnen soms wel
vijfhonderd jaar worden, maar die zien er op hun honderdste vaak al,
eh oud uit en jij…. Eh”
“Ziet
er nog uit als een kind?”
“Eh,
ja, ik bedoel nee”
Teefah
schaterde het uit van het lachen.
“Zit
je me uit te lachen?” riep Loni boos.
“Oh,
nee, zo moet je het niet opvatten”, lachte Teefah. “Maar ik
vergeet vaak dat Elfen zo’n lang levend ras zijn. Om je de waarheid
te zeggen, tot zover ik weet zijn Elfen op Feeën na het langst
levende ras. Voor beiden rassen duurt het ook heel lang voordat we
volwassen zijn. Een Elf is ongeveer rond zijn honderdentachtigste
volwassen, terwijl dat bij een Fee bij tweehonderd is.”
Loni
dacht even na.
“Bij
ons ben je met twintig al volwassen en mag je jezelf met vijftig één
van de Ouden noemen. Maar we kunnen daarna soms wel vijfhonderd jaar
worden”.
“Wij
Elfen worden meestal niet ouder dan achthonderd, maar ik geloof dat
de ultieme recordhouder van lang leven nu duizendenvijftig jaar is.”
“Duizendenvijftig!?”
“Hoe
hij ooit zo oud heeft kunnen worden weet eigenlijk niemand. Ze hebben
mij verteld dat hij dat zelf niet eens weet”.
“Kun
je me wat meer over Elfen vertellen?”, zei Loni, die op een boomtak
ging zitten.
“Nou
ik vrees dat dat een saaie bedoeling wordt”, zei Teefah, die
intussen haar mandje aan het vullen was met yasharbessen. “Wij
Elfen geloven in een zekere “harmonie”. Prietpraat als je het mij
vraagt, maar alles moet in goede harmonie met het hele elfenras en de
natuur. Dat houdt kort samengevat in, hard werken, zorgen dat je
nageslacht krijgt en na je leven je lichaam aan de natuur teruggeven”
“Dat
klinkt saai. Word je daar niet gek van!?”
“Nee,
niet echt, er is genoeg te doen om de “Harmonie” in stand te
houden, dus vervelen doe je je nooit. Verder bied ik me altijd aan om
yasharbessen te zoeken, want dan kan ik er eens op uit. Ik ben gek op
het bos. Binnenkort hoop ik wat meer over de mensen, de Feeën en
de Dwergen te weten te komen.”
“Hoezo?”
“Nou
ongeveer zeven jaar geleden waren we in oorlog met hen. En zij weer
met elkaar. Die oorlog heeft tienduizend jaar geduurd hebben ze mij
verteld. Maar zeven jaar geleden was die oorlog afgelopen en
sindsdien proberen alle rassen in vrede met elkaar op te trekken,
handel te drijven en van elkaar te leren. Ik zou graag met andere
rassen in contact komen. Het lijkt me wel leuk om de andere rassen
eens te leren kennen. Ik bedoel, van Mensen, Feeën en Dwergen
weet ik alleen hoe ze eruit zien vanwege tekeningen die ze me ooit
hebben laten zien. Ik heb er nog nooit één ontmoet.”
“Klinkt
spannend”, zei Loni opgewonden.
“En?”
vroeg Teefah tenslotte. “Hoe ziet het leven er bij Pixies uit?”
“Hmmm,
wat zal ik zeggen. Veel hard werken voor onze veiligheid. We hebben
veel vijanden die ons graag zouden willen opeten. We schijnen nogal
lekker te smaken!”
“Is
het heus?”
“Schijnbaar.
Je wou het toch niet proberen, hè?”
“Oh,
nee, wees maar niet bang, wij Elfen eten alleen plantaardige dingen!”
Loni
haalde even adem.
“Hé,
als ik al vlees zou eten, dacht je dan echt dat ik je zou opeten?”
“Eh,
nee, natuurlijk niet. Heheh… Stom van me!”
“Maar
verder…”
“Nou
wat zal ik zeggen, we kunnen een beetje toveren, dat leren we op de
toverschool, maar die lessen zijn wel zoooooooooo
verschriiiiiiikkelijjijijk saaaaaaaaaaaaaaaai!”
“Oh,
dus dáárom ben je nu aan het spijbelen?”
“Nou
wat zou jij
doen als je een lerares moest aanhoren die de halve dag de stof op
één toon opdreunt, zonder enige reuk of smaak, en die
je in elkaar slaat als je haar vragen fout beantwoordt?”
“Doet
ze dat dan?”
“De
vorige keer had ze zelfs een paar botten van me gebroken, onze
geneesheren zijn drie dagen bezig geweest om het weer in orde te
krijgen, en als ik een verkeerde beweging maak voel ik het nog!”
“Volgens
mij zit je nu toch echt vreselijk te overdrijven.”
“Oké,
oké, zo erg was het nu ook weer niet. Ze heeft me nooit
geslagen of iets. Maar ik kan je verzekeren dat je met haar afziet.
Als je ooit een donderpreek van haar hebt aangehoord, wil je nooit
meer één voet in die school zetten. En ze preekt wat af
hoor!”
Teefah
keek naar de lucht.
“Bij
alle goden, is het al zo laat?”
“Pardon?”
“De
zon is rood aan het worden. Ik moet terug naar huis”.
Loni
keek op.
“Ik
denk dat ik ook maar beter kan gaan. Ik zou graag voor het donker
thuis zijn”.
“Zullen
we elkaar ooit nog een keer zien?”
Loni
dacht na.
“Weet
je wat”, zei ze. “Kom morgen naar hier en noem mijn naam. Ik zal
er zijn!”
“Goed”,
zei Teefah en nam Loni op haar hand. “Dan zie ik je morgen rond de
middag.”
“Dat
is afgesproken”, zei Loni en ze vloog weg.
|